Introductie
Citaten uit de Bijbel
Citaten uit de Kerkvaders
Citaten uit de Dogmatiek
______Berkhof, Louis
______Bavinck, Herman
______Kersten, G. H.
Wij spreken hier van het Jodenvraagstuk niet in politieke zin maar in theologische zin.
De Bijbel leert dat God een enkel verbondsvolk heeft de kerk genaamd. De Joden zijn niet vervangen door de kerk (vervangingsleer) maar het verbond is voortgezet in de kerk (verbondsleer). Christenen behoren tot hetzelfde volk Israel als de besneden Joden in het oude testament.
Dat de Kerk Israel is heeft de Kerk tot de Nadere-Reformatie altijd geleerd. Op het moment is het idee dat de Joden God’s volk zijn dominant geworden in Nederlandse kerken. Gelukkig hebben wij allemaal de Bijbel hetwelke het laatste woord heeft. Wat gelooft u dat de Bijbel leert?
Galaten 3
7 Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
8 En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
9 Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.
16 Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus.
28 Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus.
29 En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.
Galaten 4
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.
Galaten 6
15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.
16 En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
1 Petrus 2
7 U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
8 Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
10 Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.
Kolossensen 3
11 Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.
12 Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
Handelingen 3
22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
23 En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.
Filippenzen 3
3 Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.
Efeziërs 2
11 Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;
12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
13 Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.
14 Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,
15 Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende;
16 En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.
17 En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren.
18 Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader.
19 Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;
Romeinen 2
28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;
29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
Romeinen 9
24 Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
25 Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
Openbaring 2
9 Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.
Openbaring 3
9 Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.
Johannes 8
39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.
40 Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.
41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.
42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
43 Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen.
44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
Mattheüs 3
9 En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
Mattheüs 21
33 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.
34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.
35 En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.
36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.
37 En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.
38 Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.
39 En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten den wijngaard, en doodden hem.
40 Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?
41 Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.
42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
43 Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
44 En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
1 Johannes 2
22 Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.
2 Johannes 7
Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.
2 Kronieken 19
2 En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.
14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
15 Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn;
16 En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.
Marcus 11
13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.
14 En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.
"For the true spiritual Israel, and descendants of Judah, Jacob, Isaac, and Abraham (who in uncircumcision was approved of and blessed by God on account of his faith, and called the father of many nations), are we who have been led to God through this crucified Christ, as shall be demonstrated while we proceed."
~ Martyr, Justin. Dialogue with Trypho Chap. 11
"But Israel was His name from the beginning, to which He altered the name of the blessed Jacob when He blessed him with His own name, proclaiming thereby that all who through Him have fled for refuge to the Father, constitute the blessed Israel."
~ Martyr, Justin. Dialogue with Trypho Chap. 125
"As, therefore, Christ is the Israel and the Jacob, even so we, who have been quarried out from the bowels of Christ, are the true Israelitic race."
~ Martyr, Justin. Dialogue with Trypho Chap. 135
"Our ancestors, who were chiefs of the Hebrews, when they were distressed by famine and want, passed over into Egypt, that they might obtain a supply of corn; and sojourning there a long time, they were oppressed with an intolerable yoke of slavery."
~ Lactantius Book 4. Of true wisdom and religion Chap. 10
"The Jews had formerly been in covenant with God; but being afterwards cast off on account of their sins, they began to be without God."
~ Tertullian The prescription against heretics Chap. 8
"But, in the next place, as this Jew of his disparages the doctrine regarding the resurrection of the dead, and the divine judgment, and of the rewards to be bestowed upon the just, and of the fire which is to devour the wicked, as being stale opinions, and thinks that he will overthrow Christianity by asserting that there is nothing new in its teaching upon these points, we have to say to him, that our Lord, seeing the conduct of the Jews not to be at all in keeping with the teaching of the prophets, inculcated by a parable that the kingdom of God would be taken from them, and given to the converts from heathenism. For which reason, now, we may also see of a truth that all the doctrines of the Jews of the present day are mere trifles and fables,3224 since they have not the light that proceeds from the knowledge of the Scriptures; whereas those of the Christians are the truth, having power to raise and elevate the soul and understanding of man, and to persuade him to seek a citizenship, not like the earthly Jews here below, but in heaven."
~ Origen Against Celsus Book 2 Chap. 5
"And this also I further beg of you, as being one of you, and loving you both individually and collectively more than my own soul, to take heed now to yourselves, and not to be like some, adding largely to your sins, and saying, “The covenant is both theirs [Jews] and ours [Christians].” But they thus finally lost it, after Moses had already received it. For the Scripture saith, “And Moses was fasting in the mount forty days and forty nights, and received the covenant from the Lord, tables of stone written with the finger of the hand of the Lord;” but turning away to idols, they lost it."
~ The Epistle of Barnabas Chap. 4
"For if we hold with a firm heart the grace of God which hath been given us, we are Israel, the seed of Abraham: unto us the Apostle saith, “Therefore are ye the seed of Abraham.”Let therefore no Christian consider himself alien to the name of Israel. For we are joined in the corner stone with those among the Jews who believed, among whom we find the Apostles chief. Hence our Lord in another passage saith, “And other sheep I have, which are not of this fold; them also I must bring, that there may be one fold and one Shepherd.” The Christian people then is rather Israel, and the same is preferably the house of Jacob; for Israel and Jacob are the same. But that multitude of Jews, which was deservedly reprobated for its perfidy, for the pleasures of the flesh sold their birthright, so that they belonged not to Jacob, but rather to Esau. For ye know that it was said with this hidden meaning, “That the elder shall serve the younger.”"
~ Augustine On the Psalms 114.3
"For thus do they become of the house of Israel, when their uncircumcision is accounted circumcision, by the fact that they do not exhibit the righteousness of the law by the excision of the flesh, but keep it by the charity of the heart. “If,” says he, “the uncircumcision keep the righteousness of the law, shall not his uncircumcision be counted for circumcision?” And therefore in the house of the true Israel, in which is no guile, they are partakers of the new testament, since God puts His laws into their mind, and writes them in their hearts with his own finger, the Holy Ghost, by whom is shed abroad in them the love which is the ”fulfilling of the law.”"
~ Augustine On the Spirit and the Letter Chap. 46
"Abraham, Isaac, and Jacob three fathers, and one people. The fathers three, as it were in the beginning of the people; three fathers in whom the people was figured: and the former people itself the present people. For in the Jewish people was figured the Christian people. There a figure, here the truth; there a shadow, here the body: as the apostle says, “Now these things happened to them in a figure.”"
~ Augustine On the Gospel of St. John Chap. 11.8
"2. THE CONVERSION OF THE PLEROMA OF ISRAEL. Both the Old and the New Testament speak of a future conversion of Israel, Zech. 12:10; 13:1; II Cor. 3:15,16, and Rom. 11:25-29 seems to connect this with the end of time. Premillennialists have exploited this Scriptural teaching for their particular purpose. They maintain that there will be a national restoration and conversion of Israel, that the Jewish nation will be re-established in the Holy Land, and that this will take place immediately preceding or during the millennial reign of Jesus Christ. It is very doubtful, however, whether Scripture warrants the expectation that Israel will finally be re-established as a nation, and will as a nation turn to the Lord. Some Old Testament prophecies seem to predict this, but these should be read in the light of the New Testament. Does the New Testament justify the expectation of a future restoration and conversion of Israel as a nation? It is not taught nor even necessarily implied in such passages as Matt. 19:28, and Luke 21:24, which are often quoted in its favor. The Lord spoke very plainly of the opposition of the Jews to the spirit of His Kingdom, and of the certainty that they, who could in a sense be called children of the Kingdom, would lose their place in it, Matt. 8:11,12; 21:28-46; 22:1-14; Luke 13:6-9. He informs the wicked Jews that the Kingdom will be taken from them and given to a nation bringing forth the fruits thereof, Matt. 21:43. And even when He speaks of the corruptions which in course of time will creep into the Church, of the troubles it will encounter, and of the apostasy which will finally ensue, He does not hint at any prospective restoration and conversion of the Jewish people. This silence of Jesus is very significant. Now it may be thought that Rom. 11:11-32 certainly teaches the future conversion of the nation of Israel. Many commentators adopt this view, but even its correctness is subject to considerable doubt. In the chapters 9-11 the apostle discusses the question, how the promises of God to Israel can be reconciled with the rejection of the greater part of Israel. He points out first of all in the chapters 9 and 10 that the promise applies, not to Israel according to the flesh, but to the spiritual Israel; and in the second place that God still has His elect among Israel, that there is among them still a remnant according to the election of grace, 11:1-10. And even the hardening of the greater part of Israel is not God’s final end, but rather a means in His hand to bring salvation to the Gentiles, in order that these, in turn, by enjoying the blessings of salvation, may provoke Israel to jealousy. The hardening of Israel will always be only partial, for through all the succeeding centuries there will always be some who accept the Lord. God will continue to gather His elect remnant out of the Jews during the entire new dispensation until the fulness (pleroma, that is, the number of the elect) of the Gentiles be come in, and so (in this manner) all Israel (its pleroma, that is, the full number of true Israelites) shall be saved. “All Israel” is to be understood as a designation, not of the whole nation, but of the whole number of the elect out of the ancient covenant people. Premillenarians take the 26th verse to mean that, after God has completed His purpose with the Gentiles, the nation of Israel will be saved. But the apostle said at the beginning of his discussion that the promises were for the spiritual Israel; there is no evidence of a change of thought in the intervening section, so that this would come as a surprise in 11:26; and the adverb houtos cannot mean “after that,” but only “in this manner.” With the fulness of the Gentiles the fulness of Israel will also come in."
~ Berkhof, Louis. Systematic Theology The Second Coming of Christ, B.2
"6. Ofschoon hiermede in het algemeen het resultaat reeds volkomen vaststaat, dat het Nieuwe Testament antichiliastisch is, Kuenen, Prof. II 271, moet dit toch nog in bijzonderheden nader worden aangetoond. Het Chiliasme sluit de verwachting in, dat er tegen de wederkomst van Christus eene volksbekeering van Israel zal plaats hebben, dat de Joden dan naar Palestina terug zullen keeren, en vandaar uit onder Christus over de volken heerschen zullen. Daarbij is er onder de chiliasten verschil over, of de bekeering aan den terugkeer of deze aan gene zal voorafgaan, [447] cf. bijv. Guers, Israels toekomst en herstel 171. Wijl het moeilijk te denken is, dat de verstrooide Joden eerst successief bekeerd worden en dan samen het plan opvatten, om naar Palestina te gaan, meenen sommigen, dat de Joden eerst langzamerhand naar Kanaän terugkeeren en daar dan later gezamenlijk tot Christus zullen bekeerd worden, of trachten anderen beide gevoelens zoo te vereenigen, dat er eerst een groot deel van de Joden naar Palestina trekken, en dat dezen, na eerst stad en tempel en eeredienst hersteld te hebben en daarna tot Christus bekeerd te zijn, langzamerhand door hunne andere volksgenooten gevolgd worden. En zij wijzen erop, dat deze verwachting aanvankelijk reeds vervuld wordt. Er zijn reeds duizenden Joden in Palestina; de Oostersche quaestie gaat hare oplossing tegemoet, want Turkije dankt zijn bestaan alleen aan den onderlingen naijver der groote mogendheden; en wordt Turkije eenmaal vernietigd, dan is er alle kans, dat Palestina toegewezen wordt aan de Joden, aan wie het rechtmatig toekomt; voorts werkt er in vele Joden, gelijk uit het in laatsten tijd opgetreden Zionisme blijkt, een verlangen, om naar Palestina terug te keeren en daar een zelfstandig rijk te vormen; en eindelijk maakt de groote verbetering der verkeermiddelen, die men reeds in Nah. 2:3, 4, Jes. 11:16, 66:20 voorspeld acht, zulk een terugkeer ook eenvoudig en gemakkelijk. Hoe men nu ook oordeele over deze politieke combinatiën, het Nieuwe Testament biedt aan zulk eene verwachting niet den minsten steun. Toen de volheid des tijds gekomen was, stonden de Joden, als volk beschouwd, met de Heidenen op ééne lijn; zij waren samen verdoemelijk voor God, omdat zij eene eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te richten en de gerechtigheid, die uit het geloof is, verwierpen, Rom. 3:21. Daarom zond God Johannes tot hen met den doop der bekeering en liet het hun daarin aanzeggen, dat zij, schoon besneden zijnde en proselieten doopende, zelven schuldig en onrein stonden voor zijn aangezicht en evengoed als de Heidenen de wedergeboorte en de bekeering van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. Door den doop zonderde Johannes de ware Israelieten reeds van de massa des volks af. En Jezus ging op dit voetspoor voort; Hij nam den doop van Johannes over en liet hem bedienen door zijne discipelen. Wel trad Hij evenals Johannes aanvankelijk op met de prediking, dat het koninkrijk [448] Gods nabij was gekomen. Maar Hij vatte dat koninkrijk gansch anders dan zijne tijdgenooten op; Hij verstond er niet onder eene politieke, maar eene religieus-ethische heerschappij en leerde, dat geen vleeschelijke afstamming uit Abraham maar alleen wedergeboorte uit water en geest den toegang tot dat koninkrijk der hemelen ontsloot, deel III 232v. Daardoor vergaderde Hij allengs rondom zich eene schare van discipelen, die zich onderscheidde en afzonderde van het volk der Joden. En dezen waren de ware ἐκκλησια, het echte volk Gods, gelijk Israel dat had behooren te zijn maar nu in zijne verwerping van den Messias betoonde niet te wezen. Deze scheiding tusschen het volk der Joden en de Nieuwtest. ἐκκλησια werd hoe langer hoe scherper. Wel waren er velen, die in Christus geloofden, maar het volk, geleid door de Phariseën en Schriftgeleerden, verwierp Hem. Ofschoon voor sommigen tot eene opstanding, was Hij voor velen tot een val en tot een teeken, dat weersproken werd, Luk. 2:34. Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen, Joh. 1:11. Jezus zegt zelf, dat een profeet niet geëerd is in zijn vaderland, Mt. 13:17. Telkens ervaart Hij, dat de Joden niet tot Hem komen willen, Joh. 5:37-47, 6:64; Hij getuigt, dat zij in hunne zonden zullen sterven, 8:21, dat zij kinderen des duivels zijn, 8:44, planten, niet door den Vader geplant, Mt. 15:13, 14 en ziet in hun ongeloof geen toevallige, onvoorziene omstandigheid maar vervulling der profetie, Mt. 13:13v., Joh. 12:37v. Doch niet alleen heeft Jezus van de Joden in het heden niets te hopen, ook in de toekomst verwacht Hij niets voor hen. Integendeel Hij kondigt de geheele verwoesting van stad en tempel aan, zoodat er geen steen op den ander zal gelaten worden, Joh. 2:18-21, Mt. 22:7, 23:37-39, 24:1v., Mk. 13, Luk. 21:6v. Bij zijn intocht in Jeruzalem weent Hij over de stad, Luk. 19:41-44. Des Maandags vóór zijn dood vloekt hij op den weg naar Bethanië den vijgeboom, die daarin, dat hij nog geen vruchten maar wel reeds bladeren had, een beeld was van het schijnvrome, eigengerechtige Israel, en sprak, dat niemand eenige vrucht meer van hem eten zou in der eeuwigheid, Mk. 11:12-14. Bij zijn kruisgang beveelt Hij de vrouwen, niet over Hem maar over Jeruzalem te weenen, Luk. 23:28. Zelfs predikt Hij, dat de zaligheid, door Israel verworpen, het deel der Heidenen zal worden. Het koninkrijk Gods zal Israel [449] ontnomen en aan een ander volk gegeven worden, dat zijne vruchten voortbrengt, Mt. 21:43; de wijngaard wordt aan andere landlieden verhuurd. Mt. 21:41; tot de bruiloft worden geroepen degenen, die op de uitgangen der wegen zijn, Mt. 22:9; de verloren zoon gaat vóór den oudsten zoon, Luk. 15. En zoo zegt Hij, dat velen zullen komen van Oosten en Westen en met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:10-12; dat Hij nog andere schapen heeft, die van dezen stal niet zijn, Joh. 10:16; en verblijdt er zich over, dat, als eenige Grieken Hem begeeren te zien, Hij nu als een tarwegraan in de aarde vallen en sterven en alzoo veel vrucht zal dragen, Joh. 12:24. Na zijne opstanding beveelt Hij dan ook aan zijne discipelen, om het evangelie te prediken aan alle volken, Mt. 28:18. En eenzelfde oordeel over Israel treffen wij bij alle apostelen aan. Wel moeten zij als Jezus’ getuigen van Jeruzalem uit hun arbeid beginnen, maar dan hem voortzetten tot aan het uiterste der aarde, Hd. 1:8. Petrus brengt daarom het evangelie terstond aan de Joden, Hd. 2:14, 3:19, 5:31, doch ziet in een gezicht, dat voortaan niemand onrein is, maar dat Gode aangenaam is een iegelijk, die Hem vreest, uit wat volk hij ook voortkome, Hd. 10:35, 43. Paulus begint zijne prediking altijd eerst bij de Joden, maar keert zich, als dezen het verwerpen, tot de Heidenen, Hd. 13:46, 18:6, 28:25-28. Eerst den Jood, maar ook den Griek, is de regel, dien hij op zijne zendingsreizen in acht neemt, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:21-24. Immers, Joden en Heidenen zijn beide verdoemelijk voor God en hebben hetzelfde evangelie van noode, Rom. 3:19v. Er is slechts voor allen één weg tot de zaligheid, n.l. het geloof, gelijk dat reeds vóór de wet door Abraham geoefend en hem tot gerechtigheid gerekend is, Rom. 4, Gal. 3. Wie van de Joden Christus verwerpen, zijn geen ware, echte Joden, Rom. 2:28, 29; zij zijn niet de besnijding maar de versnijding, Phil. 3:2, zij zijn ongeregelden, ijdelheidsprekers, verleiders van zinnen, wien men den mond moet stoppen, Tit. 1:10, 11; zij hebben den Heere Jezus en hunne eigene profeten gedood, zij vervolgen de geloovigen, zij behagen God niet en zijn allen menschen tegen, zij verhinderen de apostelen, om tot de Heidenen te spreken, en maken de mate hunner zonden vol, zoodat de toorn over hen tot zijn uiterste grens gekomen is en thans zich over hen ontlaadt, [450] 1 Thess. 2:14-16. De Joden, die de gemeente van Smyrna lasteren, zeggen wel, dat zij Joden zijn, maar zij zijn het niet, zij zijn veelmeer eene synagoge des satans, Op. 2:9, 3:9. Echte Joden, ware kinderen Abrahams zijn zij, die in Christus gelooven, Rom. 9:8, Gal. 3:29 enz. Zoo oordeelt het N. Test. over de Joden; de gemeente der geloovigen heeft in alle opzichten het nationale, vleeschelijke Israel vervangen; het Oude Testament is in het Nieuwe vervuld.
...
De laatste plaats is Rom. 11:11-32. In Rom. 9-11 behandelt Paulus het ontzaglijk probleem, hoe Gods belofte aan Israel te rijmen is met de verwerping van het evangelie door de overgroote meerderheid van Israel. De apostel geeft daarop in de eerste plaats ten antwoord, dat de belofte Gods niet het vleeschelijk maar het geestelijk zaad van Abraham geldt en werkt dit in den breede uit, Rom. 9 en 10. En ten tweede merkt hij op, dat God ook onder Israel nog altijd zijne uitverkorenen heeft, en dus dat volk niet verstooten heeft; hij zelf is daarvoor ten bewijs en velen met hem; hoevelen er ook verhard en verblind zijn, de uitverkorenen hebben de zaligheid toch verkregen, er is steeds een overblijfsel naar de verkiezing der genade, Rom. 11:1-10. Maar deze verharding, die over het grootste gedeelte van Israel gekomen is, is toch Gods einddoel niet; veeleer is zij in zijne hand een middel, om de zaligheid tot de Heidenen te brengen, opdat dezen, die zaligheid in het geloof aannemende, op hun beurt Israel weder tot jaloerschheid mogen verwekken, 11:11-15. Na de geloovigen uit de Heidenen vermaand te hebben, om zich hierop niet te verheffen, vs. 16-24, werkt Paulus deze gedachte nog nader uit en zegt, dat over een deel van Israel de verharding gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen, het volle getal der uit hun midden voor de zaligheid bestemden, vervuld zal zijn. En op die wijze zal gansch Israel naar Gods belofte zalig worden. De ongeloovige Joden zijn dus nu wel door God gehaat in betrekking tot het evangelie, opdat de door hen verworpene zaligheid tot de Heidenen zou komen; maar naar de verkiezing zijn zij beminden om der vaderen wil, want Gods beloften zijn onberouwelijk. Zooals het dus met de Heidenen is gegaan, zal het ook met de verharde Joden gaan; de Heidenen waren eerst ongehoorzaam en zijn nu ontfermd geworden, en zoo ook zijn de Joden nu ongehoorzaam, opdat zij door de barmhartigheid, aan de Heidenen bewezen, ook barmhartigheid [453] ontvangen mogen. Want God heeft allen, Heidenen en Joden, onder de zonde besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn, vs. 25-32. De meeste uitleggers meenen, dat de vraag, of God zijn volk verstooten heeft, 11:1, niet ten volle daarmede beantwoord is, dat God onder Israel altijd zijne uitverkorenen houdt, die successief in den loop der eeuwen worden toegebracht, 11:1-10, en zij oordeelen daarom, dat al hetgeen in hoofdst. 11 volgt, niet maar eene nadere explicatie, doch eene aanvulling van het in vs. 1-10 gegeven antwoord is, een nieuw antwoord, dat eerst ten volle de bedenking ontzenuwt, alsof God zijn volk verstooten zou hebben. Onder πας Ισραηλ in vs. 26 verstaan zij daarom het volksgeheel van Israel, dat in de laatste dagen bekeerd zal worden. Maar hoe algemeen deze verklaring ook zij, er bestaan gewichtige bezwaren tegen. a. Indien het de bedoeling van den apostel ware, om in 11:25-32 een nieuw, aanvullend antwoord te geven, zou hij zijne redeneering aan het einde met haar begin en uitgangspunt in strijd brengen. Immers heeft hij 9:6v. gezegd, dat de beloften Gods niet uitgevallen zijn, omdat zij het geestelijk zaad van Abraham gelden, en in dit geestelijk zaad nog altijd door hare vervulling erlangen, 11:1-10. A priori is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus later op deze redeneering teruggekomen zou zijn en haar in dezen zin zou aangevuld en verbeterd hebben, dat de beloften Gods in deze zaliging van het geestelijk Israel niet ten volle tot hare vervulling komen maar dan eerst volledig verwezenlijkt worden, wanneer in den laatsten tijd eene volksbekeering van Israel plaats heeft. b. In elk geval is er in hoofdst. 9:1-10:11 met geen enkel woord van zulk eene verwachting voor het volk van Israel sprake, en er is geen enkele uitdrukking, die haar vermoeden doet en voorbereidt. En ook hoofdst. 11:11-24 bevat nog niets, wat op zoodanige verwachting heenwijst. Wel wordt 11:11-15 in dien zin door velen opgevat. Maar ook al zijn deze woorden niet hypothetisch, als een element in de redeneering maar als beschrijving van een feit te verstaan, dan behelzen zij toch alleen deze gedachte: het verwerpen van Christus door Israel is voor de Heidenen een groot gewin geweest, want daardoor is de door Christus’ dood tot stand gekomene verzoening het deel der Heidenen geworden; een veel grooter gewin zal dan de aanneming van Israel door God voor de Heidenen zijn, want als Israel zijn pleroma, zijn [454] volle getal van uitverkorenen, zal bereikt hebben, en ook het pleroma der Heidenen ingegaan is, dan zal dat het leven uit de dooden, de opstanding uit de dooden van de nieuwe menschheid ten gevolge hebben. Aan Israels ἡττωμα dankt middelijkerwijze de Heidenwereld haar verzoening, aan Israels πληρωμα dankt zij eens haar leven uit de dooden. c. Indien Paulus in 11:25 een nieuw feit wilde mededeelen, bevreemdt de wijze ten zeerste, waarop hij dit doet. Hij zegt toch niet: en dan, daarna, n. l. nadat de volheid der Heidenen is ingegaan, zal gansch Israël, maar: και οὑτως πας Ισραῃλ σωθησεται, en op die wijze zal gansch Israel zalig worden. Dat kan niet anders beteekenen dan: op die wijze, als in de vorige verzen beschreven is. Vlak vooraf, in vs. 24, heeft Paulus gezegd, dat de verharding altijd maar voor een deel, ἀπο μερους over Israel gekomen is. De geloovigen uit de Heidenen konden wel gaan denken, evenals Israel vroeger, dat zij alleen het uitverkoren volk van God waren, en dat Israel geheel verworpen was. Maar Paulus zegt, dat dit niet zoo is. Neen, Israel is niet als zoodanig verworpen; er is onder hen altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade; er zijn wel eenige takken afgebroken, waarvoor de wilde olijfboom van de Heidenwereld in de plaats is gekomen, maar de stam van den tammen olijfboom is gebleven; de verharding is maar voor een deel over Israel gekomen; terwijl het pleroma uit de Heidenen ingaat, wordt ook het pleroma uit Israel toegebracht; en op die wijze wordt gansch Israel zalig. d. Dit feit, n.l. dat de verharding maar voor een deel over Israel gekomen is, noemt Paulus een μυστηριον, 11:25. Elders noemt hij zoo dikwerf het feit, dat de Heidenen thans medeërfgenamen en medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods zijn, en hier duidt hij met hetzelfde woord het feit aan, dat de Joden maar voor een deel verhard zijn en dat God vele uitverkorenen voortdurend uit hen tot zijne gemeente toebrengt. Want die gedeeltelijke verharding zal duren, totdat het pleroma der Heidenen zal ingegaan zijn. Nooit, tot aan het einde der tijden toe, zal God zijn oude volk ganschelijk verwerpen; altijd zal naast een deel uit de Heidenwereld ook een deel uit Israel tot het geloof in Christus worden gebracht. De Heidenen maar ook de Joden hadden zoo gansch anders verdiend. Doch dit is het groote mysterium, dat God rijk is in barmhartigheid, dat Hij uit alle volk, ook uit het volk der Joden, dat Hem [455] verwierp, zijne uitverkorenen vergadert, dat Hij allen onder de zonde besloot, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. Dat mysterium brengt den apostel in verrukking en doet hem bewonderend de diepte van Gods wijsheid en kennis aanbidden, 11:33-36. e. Πας Ισραηλ in 11:25 is dus niet het volk van Israel, dat aan de einden der dagen in massa bekeerd zal worden; het is ook niet de gemeente uit Joden en Heidenen saam, maar het is het pleroma, dat in den loop der eeuwen uit Israel toegebracht wordt. Israel blijft als volk, zoo voorspelt Paulus, naast de Heidenen bestaan; het zal niet ondergaan noch van de aarde verdwijnen; het blijft tot het einde der eeuwen, levert zijn pleroma voor het Godsrijk evengoed als de Heidenen, en behoudt voor dat Godsrijk zijn bijzondere taak en plaats; uit alle volken en natiën en tongen wordt de gemeente Gods vergaderd. f. Hoe groot dat pleroma uit Israel zijn zal, berekent Paulus niet. Het is best mogelijk, dat het getal der uitverkorenen uit Israel in de laatste tijden veel grooter zal zijn, dan het in Paulus’ of in latere of in onze dagen was; er is geen enkele reden, om dit te ontkennen; veeleer doet de verbreiding van het evangelie onder alle volken verwachten, dat zoowel uit Israel als uit de Heidenen een steeds grooter aantal zalig zal worden. Maar dat bedoelt Paulus niet te zeggen; hij telt niet, maar hij weegt. Uit de Heidenwereld zal het volle pleroma komen, en ook uit Israel, en dat pleroma zal πας Ισραηλ zijn. In dat pleroma wordt gansch Israel behouden, zooals in de gemeente in haar geheel de gansche menschheid wordt gered. g. Eene andere bekeering van Israel, dan op de door Paulus aangegeven wijze laat zich ook moeilijk denken. Wat toch is eene volksbekeering, en hoe en wanneer zal zij bij Israel plaats hebben? Er is natuurlijk niets tegen, veeleer pleit het feit van het voortbestaan van het volk Israels in verband met de profetie ervoor, dat er ook uit Israel nog een zeer groot getal tot het geloof in Christus worden gebracht; maar hoe groot dit getal ook zij, het blijft een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Ook de sterkste chiliast zal toch niet denken, dat eenmaal aan het einde alle Joden zonder uitzondering zullen worden bekeerd. En ook al nam hij dat aan, meenende, dat zoo alleen Rom. 11:25 ten volle vervuld werd, dan zou zulk eene volksbekeering aan het einde toch nog niet ten goede komen aan de millioenen Joden, die door de eeuwen heen tot op dien eindtijd [456] toe in ongeloof en verharding zijn weggestorven. Indien men werkelijk meent, dat Gods belofte aan Israel dan alleen waarlijk vervuld wordt, wanneer niet een ἐκλογη uit het volk, maar het volk zelf toegebracht wordt, dan komt men met de geschiedenis in conflict. Altijd, alle eeuwen door, ook in de dagen des O. T., toen het nationale Israel Gods volk was, was het slechts een klein deel des volks, dat in waarheid God diende en vreesde. En zoo is het niet alleen bij de Joden, maar zoo is het ook bij de Heidenen. Altijd is het een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat uit de Christenvolken de zaligheid in Christus deelachtig wordt. Bovendien blijft er voor zulk eene volksbekeering van Israel, als de Chiliasten verwachten, in Paulus’ schets van de toekomst geen plaats over. Hij zegt toch uitdrukkelijk, dat de verharding over een deel van Israel gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen is ingegaan, en dat niet daarna maar dat op die wijze gansch Israel zalig wordt, Rom. 11:25, 26. De verharding over een deel van Israel duurt dus zoolang, totdat het pleroma uit de Heidenwereld toegebracht is, en volgens de Chiliasten moet dan daarna de volksbekeering van Israel vallen. Maar ligt er dan nog eene tijdruimte tusschen het ingaan van het pleroma der Heidenwereld en het einde der eeuwen? Zoo ja, zijn er in dien tijd dan ook nog Heidensche volken, en wordt er uit hen geen enkele meer bekeerd? Het ingaan van het pleroma der Heidenen laat zich niet denken als tijdelijk voorafgaande aan het zalig worden van gansch Israel. Rom. 11:26 noemt geen nieuw feit, dat na het ingaan van de volheid der Heidenen plaats grijpt. Maar het ingaan van de volheid der Heidenen en het zalig worden van gansch Israel loopen parallel, omdat de verharding maar voor een deel over Israel gekomen is. Ten slotte merke men nog op, dat, al zou Paulus aan het einde ook eene volksbekeering van Israel verwachten, hij toch met geen woord melding maakt van een terugkeer der Joden naar Palestina, van een herbouw van stad en tempel, van eene zichtbare Christusregeering; in zijn toekomstbeeld is voor dat alles geen plaats. Cf. over de bekeering der Joden, behalve de commentaren op Rom. 11, Voetius, Disp. II 124 sq. Witsius, Oec. foed. IV 15, 20-32. Moor VI 127-130. Hodge, Syst. Theol. III 805. Kliefoth, Eschatologie 147."
~ Bavinck, Herman. Gereformeerde Dogmatiek pp. 446-450, 452-456
"Het volk van God is niet langer uit Israel alleen en wordt niet meer door het natuurlijk nageslacht van Abram afgebeeld, maar is het volk dat met een heilige roeping vergaderd wordt uit alle volken der wereld. Het natuurlijk Jodendom is afgehouwen; de heidenen zijn tegen nature ingeent op den stam Christus en zij zullen eens de zich nog steeds verhardende Joden tot jaloerschheid verwekken, opdat ook dezen, naar het getal der uitverkorenen, tot de kerk zullen worden toegevoegd. Laat ons dan het oor niet leenen aan hen, die maar steeds weer den mond ervan vol hebben, alsof geheel de Joodsche natie bekeerd zal worden en de kern en pit van Gods kerk vormen zal, als ware de kerk uit de heidenen aan haar ondergeschikt.
Toekomst der Joden.
Maar blijft er dan voor de Joden geen toekomst? Gewis ja! Al is de verharding over hen gekomen tot op dezen dag; al weigeren zij niettegenstaande de gruwelijkste vervolgingen de knie voor Koning Jezus te buigen, God heeft onder hen Zijn uitverkorenen en deze zullen toegebracht en door de heidenen tot jaloerschheid verwekt worden. In Rom. 11:25,26 zegt de Heere ons nadrukkelijk, dat als de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, gansch Israel zal zalig worden. Deze woorden zijn niet te verstaan in dien zin als zouden alle heidenen bekeerd en alle Joden zalig worden. God heeft in Zijn souvereinen raad hun getal vastgesteld, maar toch heeft het apostolisch woord dieper zin dan dat het zijn vervulling bekomen zou in de bekeering van een enkelen Jood. God doet de Joden voortbestaan; Zijn toorn rust kennelijk op hen, die Israel zoeken uit te roeien, zooals kort geleden bij vernieuwing is gebleken over Hitler en diens aanhang; niettegenstaande het vleeschelijk Israel het bloed van Christus over zich en zijn kinderen heeft ingeroepen. Want het overblijfsel zal behouden en tot Christus gebracht worden. Alleen maar, dan zal het juist het omgekeerde zijn van hetgeen de Chiliast leert; dan zal niet het Jodendom de kerk zijn, maar het zal tot Christus' kerk worden gebracht en met de heidenen een volk vormen, een geestelijk Israel, het volk van den Vader verkoren, door Christus' bloed gekocht en door den Heiligen Geest toegebracht. Ja meer!
...
4e. dat, hoewel voor de Joden de belofte der zaligheid is weggelegd, evenwel geen herstel van het oude Israel meer te wachten is en de beloften, die voor Israel en Sion nog haar vervulling wachten, zien op het geestelijk Israel, op het uitverkoren volk van God uit alle geslachten en niet op de natuurlijke afstammelingen van Abram."
~ Kersten, G. H. Gereformeerde Dogmatiek Deel 2, Joden-vraagstuk, Toekomst der Joden pp. 315, 316